Voorzieningenrechter Amsterdam 24-09-2009 (Fine Care), LJN BJ9797
Afweging in het kader van beweerdelijk onrechtmatige uiting (beschuldiging van oplichting) op webforum van de Tros tussen vrijheid van meningsuiting en bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. De mate waarin de beschuldiging steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, is één van die omstandigheden. Een strafrechtelijke veroordeling geen voorwaarde is om negatieve berichtgeving omtrent in dit geval eiser naar buiten te brengen. Voorts wordt overwogen dat het feit dat eiser niet voor oplichting en fraude is veroordeeld niet impliceert dat hem geen ernstig laakbaar handelen kan worden verweten, nog daargelaten dat het Openbaar Ministerie tegen het vonnis hoger beroep heeft aangetekend. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt voorshands geconcludeerd dat de beschuldigingen van Tros c.s. voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. De ernst van de feiten is gelegen in de aard daarvan en in de weerslag die deze hebben op degenen die door de praktijken van eiser zijn gedupeerd en daardoor veelal niet alleen financieel aanzienlijk nadeel hebben geleden, maar ook in het sociale leven, psychisch en fysiek de negatieve gevolgen daarvan ervaren. Derhalve heeft Tros c.s. een gerechtvaardigd belang om het publiek te waarschuwen voor de praktijken van eiser, ook indien dat met zich brengt dat eiser in een negatief daglicht komt te staan en ook indien deze praktijken (vooralsnog) niet hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling van eiser.
Afweging in het kader van beweerdelijk onrechtmatige uiting (beschuldiging van oplichting) op webforum van de Tros tussen vrijheid van meningsuiting en bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. De mate waarin de beschuldiging steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, is één van die omstandigheden.
Een strafrechtelijke veroordeling geen voorwaarde is om negatieve berichtgeving omtrent in dit geval eiser naar buiten te brengen. Voorts wordt overwogen dat het feit dat eiser niet voor oplichting en fraude is veroordeeld niet impliceert dat hem geen ernstig laakbaar handelen kan worden verweten, nog daargelaten dat het Openbaar Ministerie tegen het vonnis hoger beroep heeft aangetekend.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt voorshands geconcludeerd dat de beschuldigingen van Tros c.s. voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. De ernst van de feiten is gelegen in de aard daarvan en in de weerslag die deze hebben op degenen die door de praktijken van eiser zijn gedupeerd en daardoor veelal niet alleen financieel aanzienlijk nadeel hebben geleden, maar ook in het sociale leven, psychisch en fysiek de negatieve gevolgen daarvan ervaren. Derhalve heeft Tros c.s. een gerechtvaardigd belang om het publiek te waarschuwen voor de praktijken van eiser, ook indien dat met zich brengt dat eiser in een negatief daglicht komt te staan en ook indien deze praktijken (vooralsnog) niet hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling van eiser.